Snel afgeleid of enorm geïnteresseerd in andere dingen?

Ik moest gemiddeld zo’n 458 keer per dag tegen Mees zeggen dat hij zijn werk af moest maken. Als ik dat niet deed had hij na een uur ongeveer anderhalve som gemaakt. Je zou hem dus snel afgeleid kunnen noemen. Toen ik op een keer benieuwd was wat hij nou eigenlijk deed als ik hem niet constant herinnerde aan de taak die hij voor zich had, liet ik hem gewoon een tijdje zijn gang gaan en heb ik hem geobserveerd.

Een kleine ingenieur

Mees begon vol goede moed aan zijn sommen. Hij was echt van plan zijn werk te doen, dat zag ik. Het duurde weliswaar al vijf minuten voor hij het goede boek op de goede bladzijde voor zich had – ondanks het feit dat we daar elke dag op oefenden – maar toen dat eenmaal gelukt was, boog hij zich met een gefronst gezicht over zijn opdracht. Hij kwam al snel tot de conclusie dat het antwoord op de eerste som ‘acht’ moest zijn en schreef dit enthousiast in zijn schrift. Toen sloeg de twijfel toe en pakte hij zijn gum erbij…

Deze gum vormde al snel de basis voor een katapult. Samen met een potlood en een paperclip – dit soort kinderen heeft altijd een hele verzameling spulletjes in hun la – bouwde hij een apparaat waarmee hij propjes papier kon lanceren.

Toen de eerste poging niet naar zijn zin was – waarschijnlijk kwam het propje niet ver genoeg – keek hij eens goed naar zijn ontwerp en maakte wat aanpassingen. Waarna een tweede poging volgde. Blijkbaar was het beoogde resultaat nog niet bereikt, want er werd intens en langdurig geanalyseerd en uitgeprobeerd hoe hij zijn uitvinding verder kon perfectioneren.

Intense aandacht als aanknopingspunt

Door Mees zijn gang te laten gaan zag ik dat er niets mis was met zijn concentratievermogen op zich. Hij was ongelooflijk aandachtig bezig met zijn eigen project. Het probleem was niet dat hij snel afgeleid was, besefte ik, hij had gewoon veel meer interesse in andere dingen.

We zeggen alleen maar dat dit soort kinderen snel afgeleid is, omdat ze geen aandacht hebben voor de dingen waarvan wij zeggen dat ze aandacht moeten hebben op de momenten dat wij zeggen dat ze er aandacht voor moeten hebben. Maar daarmee gaan we voorbij aan hoe een kind in elkaar zit. En zoals iedereen die weleens een Mees in de klas heeft gehad weet, werkt dwingen nauwelijks voor het verbeteren van de concentratie.

De intense aandacht die deze kinderen meestal kunnen opbrengen biedt echter hoop. We kunnen ze ervan bewust maken dat ze zich juist heel goed kunnen concentreren. Dat voorkomt een negatief zelfbeeld – iets wat kinderen die constant horen dat ze beter moeten opletten gemakkelijk oplopen. En de dingen waar ze van nature in geïnteresseerd zijn, vormen een raampje waardoor we in het hoofd van deze kinderen kunnen kijken. We kunnen erdoor achterhalen wanneer iets ze genoeg grijpt om op een natuurlijke – en niet een geforceerde – manier geconcentreerd te zijn. Maar dan moeten we ze wel af en toe een beetje hun gang durven laten gaan en de controle een beetje loslaten.

Mees had duidelijk een sterke behoefte om fysiek bezig te zijn. En om te kunnen onderzoeken en te ontdekken. Deze informatie kan erg nuttig zijn om het schoolwerk beter aan te laten sluiten op de natuurlijke neigingen en interesses. (Naast het oefenen van de executieve functies, natuurlijk!) Je hele manier van onderwijzen omgooien lukt misschien niet, maar eens in de week een ‘Mees-les’ verzinnen – waarin de talenten van dit type kinderen een kracht zijn – is vaak wel te doen en is van grote betekenis voor het zelfvertrouwen van deze ingenieurs, schrijvers, kunstenaars in de dop.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *